Insolventie en merkenrecht: de bijzonderheden in het kader van faillissement

Intellectuele eigendom is niet enkel een mooie prestatie van de menselijke geest, maar ook een onderdeel van jouw vermogen. Elke merknaam, logo of handelsnaam heeft namelijk een groot economisch potentieel: het kan jouw vennootschap later (of zelfs nu al) meer opleveren dan oorspronkelijk verwacht.


Op de dag van vandaag wordt de financiële positie van de onderneming steeds meer en meer beïnvloed door niet-materiële onderliggende activa. In het kader van faillissement wordt het bepalen van de waarde van deze activa des te belangrijker, daar zowel de curator als de schuldeisers graag duidelijkheid willen hebben over de betalingsmogelijkheden van de onderneming in moeilijkheden.



De gefailleerde behoudt het recht op merk


Het recht op een merk is het meest voorkomende intellectueel eigendomsrecht dat een bestanddeel van het vermogen van vennootschap uitmaakt. Het merkrecht is, net zoals de meeste andere intellectuele eigendomsrechten, een vermogensrecht. In geval van het faillissement blijft het merkrecht bestaan, maar verliest de houder ervan de mogelijkheid om erover te beschikken. Eenmaal een onderneming failliet werd verklaard, komt het enkel aan de curator toe om over het merk als vermogensbestanddeel te beschikken.


Positie en waardering van het merk


De vermogensrechtelijke waardering van een merk wordt bijzonder actueel in het kader van het (naderende) faillissement. Zo kan er bijvoorbeeld zekerheid worden gevestigd op een merk dat een bestanddeel van het vermogen van de onderneming vormt. Denk bijvoorbeeld aan een pandrecht op het merk: verpanding van het merkrecht is mogelijk door middel van een ingeschreven akte in het betreffende merkenregister. De op het merkrecht gevestigde zekerheid moet dan ook door de curator gerespecteerd worden indien een faillissement toch onvermijdelijk blijkt te zijn. Op dit principe bestaat er weliswaar een uitzondering: indien de verpanding van het merkrecht relatief kort voor het faillissement heeft plaatsgevonden, zal de curator onderzoeken of en in hoeverre de verpanding tot de benadeling van de schuldeisers geleid heeft. Is dit wel het geval en kan dit ook aangetoond worden, dan beschikt de curator over de mogelijkheid om de zekerheid als niet bestaande te beschouwen.


In voorkomend geval zal de curator het merk(recht) proberen te verkopen om aan de belangen van de schuldeisers te kunnen voldoen. Dit maakt de nauwkeurige waardering van het merk des te belangrijker: al bij de eerste tekens van financiële moeilijkheden zullen de crediteurs van de onderneming een duidelijk zicht willen hebben op de waardevolle activa van hun schuldenaar. Het komt ook regelmatig voor dat de verkoop van het merkrecht een onderdeel uitmaakt van een doorstart van de gefailleerde onderneming. De doorstartende onderneming koopt dan het merkrecht over van de failliete boedel.


Vervolgens rijst de vraag hoe de financiële waarde van het merk geschat kan worden. Een van de elementen die in de economische analyse van het merk een belangrijke rol spelen is merkregistratie. Door de inschrijving in het merkenregister krijg je een merkrecht dat verbonden is aan het geregistreerd merk. Elk merk wordt daarbij gekoppeld aan de specifieke producten of diensten die de onderneming op de markt brengt. Als merkhouder kan je concurrenten verbieden om een identieke of gelijkaardige naam of logo te gaan gebruiken voor dezelfde of soortgelijke producten en diensten. Jouw merk registreren is dus een noodzakelijke stap om je als onderneming tegen de mogelijke inbreuken op jouw intellectuele eigendom in te dekken: zonder merkregistratie heeft men geen merk en kan men dus niet tegen namaak optreden op basis van dit merk.


Het merk zal dus automatisch in waarde stijgen eenmaal de registratie voltooid is. Bovendien is het merkenregister een belangrijke bron van informatie over de waardepositie van een merk: vaak kan er waardevolle informatie worden gevonden, zoals bijvoorbeeld de mogelijke complicaties met betrekking tot geldigheid van het merk of eventuele bestaande conflicten. Ook kunnen de registers vermelden of het betrokken merkrecht een voorwerp uitmaakt van een licentie of een pandvestiging. De curator zal dus in verschillende merkenregisters moeten nagaan over welke rechten de merkhouder op het moment van faillissement beschikt.

Licentieovereenkomst en faillissement


Een licentieovereenkomst, zelfs wanneer het een intuitu personae contract betreft (dit wil zeggen een overeenkomst gesloten omwille van de persoonlijke kwaliteiten van de medecontractant), wordt niet automatisch ontbonden door het faillissement van een van de partijen. De curator van de gefailleerde onderneming is echter bevoegd om te beslissen over het lot van de lopende overeenkomsten en deze al dan niet verder uit te voeren. De uitvoering in natura kan bovendien niet worden afgedwongen ten aanzien van de gefailleerde: de medecontractant zal zich bij het gebrek aan de naleving van de licentieovereenkomst tevreden moeten stellen met een schuldvordering.


Bij het nemen van een beslissing over het al dan niet voortzetten van een licentieovereenkomst moet de curator een afweging maken tussen het principe van de continuïteit van de lopende overeenkomsten enerzijds en het belang van de boedel anderzijds. In principe mag de licentieovereenkomst dus enkel de licentieovereenkomst eenzijdig stopzetten wanneer dit noodzakelijk is voor het beheer van de boedel.


Wanneer de gefailleerde onderneming de licentiegever is, is het aannemelijk dat de licentieovereenkomst voortgezet zal worden zodat de licentie inkomsten blijft genereren. Het faillissement van de licentienemer daarentegen wordt regelmatig als ontbindende voorwaarde in de licentieovereenkomst opgenomen. In dat geval kan de licentie op initiatief van de merkhouder stopgezet worden wanneer de licentienemer in staat van faillissement verkeert. Werd er geen ontbindend of opschortend beding met betrekking tot het faillissement opgenomen in de licentieovereenkomst, dan blijft de contractuele verhouding tussen de licentiegever en licentienemer ongewijzigd.


In de praktijk zit de gefailleerde onderneming vaak met zodanig veel lopende contracten dat niet alle samenwerkingsovereenkomsten nog nauwkeurig worden nageleefd. Het kan dus wel eens voorkomen dat de curator zich (vaak onbewust) niet aan de licentieovereenkomst zal houden. In dit geval bestaat voor de licentiegever de mogelijkheid om de curator te vragen duidelijkheid te verschaffen over het al dan niet nakomen van de licentieverbintenissen. Indien de curator de licentieovereenkomst niet wil voortzetten of het verzoek om informatie omtrent verderzetten van de licentie niet wil inwilligen, kan de licentieovereenkomst worden ontbonden.